Home
Actueel
Vieringen
Kroniek
St. Gerlach
Parochie
Kerkgebouw
Heiligdom
Pelgrimage
Schatkamer
Links
Adressen

Parochie St. Gerlach te Houthem


ST. GERLACH


Aan de hand van de zeven wandschilderingen van Schöpf (1751) en een drietal schilderijen op doek van Bröcker (1897),  wordt onderstaand een korte levensbeschrijving gegeven van de H. Gerlachus.


Voor uitgebreidere informatie wordt verwezen naar de Vita Beati Gerlaci Eremytea. Dat is de levensbeschrijving die rond het jaar 1225 moet zijn geschreven.
Op last van Henricus Cuyckius, bisschop van Roermond, verzorgde Erasmus Ghoye, die de proost van de abdij Sint Gerlach was, in 1600 een nieuwe uitgave van deze vita. In 1612 werd deze Latijnse vita door C. Thilmans, Gardiaan der Minderbroeders te Maastricht, in het Nederlands vertaald. Dat was de eerste Nederlandse vertaling van Gerlachs leven. Daarvan verscheen in 1745 een herdruk.
Het oorspronkelijke handschrift uit 1225 is helaas verdwenen.

De vita die op deze website is opgenomen is een vertaling in het Nederlands van de op het Latijn gebaseerde Acta Sanctorum (nieuwste uitgave, Brussel, 1863, deel I, folio 306 tot 320). Deze verscheen in 1990 bij gelegenheid van de viering van het Achtste Eeuwfeest van Sint Gerlach en is een vertaling van dr. E. Lavigne.

In onderstaande korte levensbeschrijving vindt u links naar deze vita.

----------------

Zie ook: 
De vita van Gerlach van Houthem / Jan G.M. Notten, in: 't Sjtegelke (1998) nr. 10, p. 27-37


I. De bekering van Gerlachus

De bekering van Gerlachus (Schöpf)

Gerlach is een legeraanvoerder, een ritmeester, die met zijn soldaten naar een toernooi in Gulik is gekomen.
Hij heeft zich juist klaargemaakt om het strijdperk in te gaan, als hem daar door een boodschapper het bericht wordt gebracht dat zijn vrouw is overleden.
Als door een bliksemstraal getroffen beseft hij plotseling dat de dingen die voor hem tot dan toe zo belangrijk zijn geweest, van vergankelijke aard zijn.


II. Gerlachus verlaat de wereld

Gerlachus verlaat de wereld (Schöpf)

Gerlach besluit tot een volledige ommekeer in zijn bestaan. Hij vertelt, gezeten op een ezel, aan zijn krijgsmakkers dat hij vanaf nu een leven van boetvaardigheid wil gaan leiden (Vita, cap. II). Hij is nog gehuld in zijn harnas. Hiervan wordt in de legende gezegd dat hij zijn harnas droeg over een ruw haren kleed. (Vita, cap. III).
Hij legt de plechtige belofte af nooit meer op een paard te rijden, geen wijn meer te drinken of vlees te eten, zomer en winter te vasten, blootsvoets te gaan en een haren kleed te dragen (Vita, cap. IV).
Gerlach gaat terug naar zijn huis in onze omgeving en regelt daar zijn zaken.


III. Gerlachus bij paus Eugenius III in Rome

Gerlachus bij paus Eugenius III in Rome (Schöpf)

Blootsvoets gaat Gerlach op pelgrimstocht naar diverse bedevaartsoorden en komt zo uiteindelijk in Rome aan, waar hij door de paus wordt ontvangen. Het zal omstreeks het jaar 1151 zijn geweest, wanneer hem door paus Eugenius III als boetedoening een periode van zeven jaar dienstbaarheid in Jeruzalem wordt opgelegd.


IV. Aankomst van Gerlachus in Jeruzalem

Aankomst van Gerlachus in Jeruzalem (Schöpf)

In Jeruzalem aangekomen gaat hij naar het gasthuis waar armen en zieken worden opgenomen. Dit is mogelijk het hospitaal van de Johannieter Orde geweest. De broeders willen hem lichte werkzaamheden geven, maar dit weigert hij. Hij verlangt naar nederig zwaar werk, dat hij na veel praten krijgt met het verzorgen van de veestapel van het gasthuis. De legende verhaalt hoe hij, omdat hij altijd blootsvoets liep, in een doorn trapte terwijl hij de dieren hoedde. Hij dankte God ervoor dat hij nu werd gestraft omdat hij met deze voet in zijn kinderjaren zijn moeder ooit had geschopt. Na zo gedurende zeven jaar voor het vee te hebben gezorgd, gaat hij terug naar Rome, waar inmiddels paus Hadrianus IV zetelt (Vita, cap. IV).
Hoe nu verder?
De paus houdt hem de regels van diverse kloosterordes voor, maar Gerlach meent zich niet goed binnen een dergelijke gemeenschap aan zijn zelfopgelegde gelofte te kunnen houden. De paus geeft hem daarom de opdracht terug te gaan naar zijn eigen land. Hij mag voortaan geen bezittingen meer hebben. Deze moet hij weggeven aan de kerk en de armen. Hij vertrekt naar zijn geboorteland, voorzien van schriftelijke bewijzen dat de paus hem deze leefregels heeft gegeven.


V. Gerlachus kluizenaar in Houthem

Gerlachus kluizenaar in Houthem (Schöpf)

In Houthem vindt hij op eigen grond een zeer oude eik, waarin een holte wordt gemaakt. Hierin maakt hij zijn rustplaats. Er wordt een grote hoeveelheid stenen op de grond gelegd met een mat eroverheen, waarop hij slaapt. Verteld wordt dat de hoeveelheid van deze stenen zo groot was, dat het voldoende was om er in later tijd de fundering van de kerk van te maken (Vita; cap. V).
Van de mensen in de buurt krijgt hij eten en hij drinkt water uit een put die sindsdien de Gerlachusput wordt genoemd.


VI. Gerlachus preekt de boetvaardigheid

De mensen uit de omgeving komen naar hem toe en zien hoe hij leeft. Hij vertelt hen waarom hij hiervoor heeft gekozen. Dit wordt rondverteld, waardoor de mare van zijn levenswijze zich verspreidt onder de hele bevolking. Dit is een doorn in het oog van de monniken en de proost van Meerssen. Zij menen dat deze manier van leven niet past. Wat zij ook proberen, het lukt niet om Gerlach ertoe te bewegen toe te treden tot een monnikenorde. Verstoord hierover wordt Gerlach door hen bij de bisschop van Luik ervan beschuldigd dat hij geld zou hebben verstopt in de eik onder de stenen die hij daar op de bodem had gelegd. De bisschop gaat op deze beschuldiging in en laat de eik kappen en alles nazoeken naar dat geld. Er wordt niets gevonden. Hierop bepaalt de bisschop dat de monniken van Meerssen zich niet meer met Gerlach mogen bemoeien en dat in het vervolg de abt van Rolduc, Burno, degene is, waartoe hij zich kan wenden (Vita, cap. VII). Van het hout van de eik worden twee hutten gemaakt. Eén kleine om in te slapen en één om in te bidden, waarin de mis kan worden opgedragen. Er komt een altaarsteen en al het andere benodigde (Vita; cap XI).


VII. Gerlachus spijst de armen

Gerlachus spijst de armen (Bröcker)

Gerlach krijgt te eten wat hem door de mensen wordt gebracht. De legende verhaalt over een familielid van Gerlach, welke vrouw hem dagelijks brood bracht, gemaakt van gerstemeel en as. Maar hij krijgt ook andere voedingsmiddelen aangedragen, die hij laat bereiden en uitdeelt aan arme mensen, voorbijgangers en pelgrims die hem bezoeken. Van dit voedsel maakt hij zelf geen gebruik, volhardend in de door hem gezochte soberheid (Vita; cap. V).
In die tijd leeft Hildegard van Bingen, een zieneres, die tot op heden bekend is. Zij ziet in een visioen dat er in de hemel in het koor voor de belijders een zetel voor Gerlach gereed staat. Zij vat vanaf dat moment een bijzondere verering voor Gerlach op. Als teken daarvan stuurt zij hem het kroontje dat zij heeft gedragen op de dag dat zij als religieuze is geprofest (Vita; cap. VIII).


VIII. Gerlachus bekoord door de duivel

Gerlachus bekoord door de duivel (Bröcker)

Gerlach wordt op allerlei manieren geplaagd door boze invloeden. Wanneer hij 's nachts ligt te rusten hoort hij soms getier en geraas rondom zijn cel. Soms is er een heimelijk geluid alsof iemand wil insluipen, dan weer hoort hij stemmen, alsof de insluipers met elkaar beraadslagen. Eens is hij onderweg naar de kerk van Sint Servaas in Maastricht, als de duivel een grote heuvel maakt die hem de weg verspert. Gerlach kust het kruisje dat hij altijd bij zich draagt en de heuvel verdwijnt weer. Bij een andere gelegenheid verspert de duivel zijn weg, door kuipen en vaten voor zijn voeten te laten rollen, zonder dat dit Gerlach kan tegenhouden. Gerlach gaat geregeld naar Maastricht met een andere vrome man, genaamd Hermanus. De duivel neemt een keer diens gedaante aan en begint Gerlach allerlei zaken in te fluisteren, om hem van zijn voornemens af te brengen. Maar Gerlach wil hier niets van horen, waarop de duivel zich in Maastricht van de Maasbrug af stort.


IX. God verandert het water van de bron in wijn

God verandert het water van de bron in wijn (Schöpf)

Kort voor zijn dood, op passiezondag, zendt Gerlach de vaste priester, die in het kapelletje de mis heeft opgedragen, naar de put om wat water voor hem te halen. Wanneer Gerlach van dit water drinkt, proeft hij dat het wijn is. Ontsteld hierover, omdat hij zich al veertien jaar aan zijn beloften heeft gehouden, verwijt hij de priester dat deze hem wijn heeft gebracht en vraagt hem nu water te brengen. De priester haalt opnieuw water, maar het is wijn wanneer Gerlach ervan drinkt. Gerlach gaat nu zelf naar de put en neemt het water mee. Als hij ervan proeft is het weer veranderd in wijn (Vita; cap. XVII).
Gerlach kan dit alleen maar zien als een teken van de grootheid van God.


X. Dood van Gerlachus

Dood van Gerlachus (Schöpf)

Gerlach ligt op sterven, maar de priester die altijd de mis doet in zijn kapel is er niet. Ook de abt en de andere religieuzen van Rolduc, die zijn gevraagd om te komen, zijn daartoe niet in de gelegenheid. Die van Meerssen willen niet komen, omdat Gerlach immers niet langer onder hun zorg valt. Gerlach vertrouwt er echter op, dat het wel goed zal komen en zie, een eerbiedwaardige oude man met een metgezel komt naar hem toe en voorziet Gerlach van de laatste sacramenten. Hierna verdwijnen de beiden weer en niemand weet wie dat waren. Volgens sommigen was het Sint Servaas, die zo zijn trouwe pelgrim heeft geholpen. Liggend op zijn sterfbed doet Gerlach zijn vrienden het verzoek hem te begraven in zijn houten slaaphutje, dat niet veel groter is dan een doodskist. Hij moet worden begraven in zijn harnas en haren onderkleed en zo gebeurt het (Vita; cap. XVIII).


WONDERLIJKE WEGEN

Op 26 mei 2007 zond de NCRV in de serie Wonderlijke Wegen een tweeluik uit over Gerlachus en Josina von Löwenstein.

Deze aflevering kunt u hier bekijken.

De rol van Gerlachus wordt vertolkt door de Houthemer Hugo Paulissen.

Toelichting:

Houthem (Limburg) in de twaalfde eeuw. Gerlach woont in een holle eik en leeft op water en brood. Hij doet boete voor een leven vol drank en vechtpartijen. Hij besloot hiertoe nadat zijn vrouw en kinderen bij een ongeluk om het leven waren gekomen. Gerlach vindt dat de geestelijken in het naburige klooster niet sober genoeg leven. De monniken vinden hem maar een uitslover en nemen maatregelen. Met grote gevolgen voor Gerlach en zijn holle eik…

Josina von Löwenstein wordt in 1627 op 12 jarige leeftijd door haar vader naar het stift in Thorn gebracht, een klooster voor rijke dames, maar dan zonder strenge geloofsregels. Josina voelt zich opgesloten. De enige manier om te ontsnappen is een man vinden en zo snel mogelijk trouwen. Dan ontmoet ze haar prins op het witte paard. Maar als haar vader daar achter komt zijn de rapen gaar...

4-4-2008